Het wachten was, zoals zo vaak in Brussel, op Berlijn. Maar deze week was daar een klein, voorzichtig knikje van bondskanselier Friedrich Merz, figuurlijk dan, en dat was genoeg. Nu Duitsland niet langer bezwaar maakt tegen een hardere Europese koers tegenover China, gaat Brussel kijken met welke handelsmaatregelen het de Chinese export steviger kan aanpakken.
De onvrede over het Chinese exportmodel en de nadelige gevolgen voor de Europese industrie, is snel gegroeid. Een grote groep landen, waaronder Nederland, dringt al langer aan op gecoördineerde actie van Brussel. Maar pas sinds kort wordt dat gevoel breed gedeeld. De angst voor Chinese concurrentie is het aan het winnen van de angst voor Chinese vergelding.
De draai van Duitsland was met mitsen en maren omgeven. Merz vroeg tijdens de EU-top aan EU-president António Cósta, die de vergadering voorzat, om China op de afsluitende persconferentie niet bij naam te noemen. In de slotverklaring ging het slechts over „mondiale macro-economische onevenwichtigheden”.
Toch kan de bijeenkomst als een doorbraak worden gezien. Niet vanwege dat zinnetje in de tekst, maar omdat de regeringsleiders de Europese Commissie vroegen het arsenaal aan handelsmaatregelen te „ontwikkelen en uiteindelijk aan te vullen”, in de samenvatting van een functionaris.














