Klimaatbeleid lijkt een beetje uit de mode te zijn, hoewel de wereld nog steeds wordt geconfronteerd met een ongekende en rampzalige klimaatnoodsituatie. De recente branden op de Veluwe zijn daar een voorbeeld van, om over rampen in het globale zuiden nog maar te zwijgen. Niet voor niets klonk Wopke Hoekstra, de Eurocommissaris voor Klimaat, nog maar vier maanden geleden opvallend stellig: pleidooien vanuit de zware industrie om het Europese emissiehandelssysteem (ETS) af te zwakken waren volgens hem „intellectueel lui”.

Het ETS zet een prijs op de uitstoot van broeikasgassen door grote bedrijven. Op dit moment wordt in Brussel onderhandeld over de herziening van dit systeem, vooral om het in lijn te brengen met de klimaatdoelen van 2040. In de EU moet de uitstoot van broeikasgassen dan met 90 procent zijn gedaald ten opzichte van 1990. Tijdens die onderhandelingen worden ook voorstellen gedaan om „de industrie wat ademruimte te geven”, vertelde een betrokken EU-functionaris.

De stelligheid waarmee Hoekstra het ETS verdedigde, blijkt van korte duur. Onder druk van geopolitieke onrust en economische belangen lijkt hij nu zélf te vervallen in precies die reflex die hij eerder bekritiseerde. ‘Ademruimte’ riskeert verdere klimaatchaos, de lange termijn concurrentiepositie van Europese bedrijven en de geloofwaardigheid van de EU. Een goedwerkend ETS met een CO₂-prijs die bedrijven stimuleert om te verduurzamen is cruciaal om de klimaatdoelen te halen.