Als we in vorm waren, dan was er geen probleem. Dat had oud-voetballer Rafael van der Vaart mooi en kundig uitgelegd. Máár, zei oud-voetballer en -trainer Pierre van Hooijdonk: wat houd je dan over als je níét in vorm bent? Nu werd het even spannend, want ook dit was een ijzersterk punt. Gelukkig had Van der Vaart een helder antwoord paraat. „Je gaat niet van tevoren uit van: ik ben niet in vorm”, zei hij geduldig. Zijn jack was zo oranje dat ik de kleur bleef zien als ik mijn ogen sloot. Achter hem in de NOS-studio hadden zich voetbalfans verzameld, ook in neon-oranje. Met over elkaar gevouwen armen overwogen ze de woorden van de experts die hun licht mochten laten schijnen over het WK.

„Je gaat ervan uit: we gaan een plan hebben”, zei Van der Vaart. „En we gaan het dóén.” Ah! Het klonk onweerlegbaar.

Ik weet niet of het aan dat verblindend oranje jack lag, of aan het feit dat ik meestal maar de helft van Van der Vaarts gemompel kan ontcijferen, of aan mijn jammerlijke onvermogen om te herstellen van de keer dat een gymdocent me zei: „Sommige mensen hebben nou eenmaal een betere coördinatie dan andere.” (Hij wees een klasgenote aan die me ontsteeg in sportiviteit en hiërarchie. Zij was sommige mensen. Ik was andere.) Waar het ook door kwam: zondag ging ik er maar gewoon vanuit dat de WK-duiding erg logisch was, ook als ik er zelf weinig van begreep. Soms is het fijn om blind te vertrouwen op de deskundigheid van een ander.