Het is feest op veel straten in New York – er wordt vuurwerk afgeschoten, auto’s rijden toeterend rond, terwijl uit alle hoeken en gaten gejuich klinkt. Er wordt gevierd dat de basketballers van de New York Knicks de titel in de NBA hebben gewonnen. Het team van coach Mike Brown knokte zich in de vijfde ontmoeting in de finale bij de San Antonio Spurs terug van een achterstand van 16 punten en won nipt: 90-94. In de best-of-seven-serie namen de Knicks daarmee een beslissende voorsprong van 4-1.
De enorme feestvreugde in de stad was mede te verklaren door het lange wachten waartoe de vele Knicks-fans in New York veroordeeld waren geweest. Het team was voor het laatst kampioen in 1973, daarvoor in 1970. De droogte van 53 jaar voor het belangrijkste basketbalteam van de grootste stad in het land was als pijnlijk ervaren. In 1999 stonden ze voor het laatst in de finale. Toen verloren ze van de Spurs. Zij blijven vijfvoudig kampioen. Hun laatste titel dateert van 2014.
Overigens was de nieuwe titel ook op een andere manier historisch. In de vierde wedstrijd van de serie realiseerden de Knicks de grootste comeback ooit in de NBA-finale door een achterstand van 29 punten weg te poetsen en de Spurs met 107-106 te verslaan. Het winnende punt was een ’tip-in’ die letterlijk één seconde voor het einde in het net viel – als in een film uit de categorie inspiring.










