„Mijn ouders komen oorspronkelijk uit Senegal. Voordat hij naar Frankrijk kwam, heeft mijn vader veel in Afrika gereisd. Dat was zijn opleiding. Ik ben wat je nu een klassenmigrant zou noemen. Dat je opgroeit in een arbeidersmilieu weet je als kind niet.
Toen ik op de middelbare school zat, zijn we met het gezin vanuit Parijs naar een grotere woning in La Courneuve verhuisd, in de banlieue. Daar heb ik eindexamen gedaan. Mijn ouders hebben me altijd enorm gemotiveerd om mijn best te doen op school, het is rijkdom om je gesteund te voelen. Ik keek veel televisie, las veel boeken. Daardoor maakte ik kennis met andere werelden. Geen moment heb ik gedacht dat die voor mij onbereikbaar zouden zijn.
Politiek was thuis overal. Op vrijdagen kwamen andere Senegalezen theedrinken en dan werd er enorm gedebatteerd. Ik hoorde altijd alles. Daar krijg je liefde voor het debat en het belang van politieke strijd van mee. Als Jean-Marie Le Pen van het Front National op televisie kwam, dan zei mijn moeder: ‘Hij moet niets van ons hebben.’ Ik registreerde dat, niet meer dan dat. Voordat ik me bewust werd van racisme was ik eigenlijk vooral bezig met feminisme. Racisme, dat was eerder de strijd in Zuid-Afrika. Ze zeggen wel dat kinderen geen huidskleur zien, en dat gold ook voor mij. Dat op televisie niet veel mensen verschijnen die op jou of je buurtgenoten lijken, valt wel op. Zwarten op televisie waren in die tijd vooral ridicuul, met enorm grote ogen, half ontkleed.








