Er zullen zelden zoveel filmmakers met last van censuur op een en dezelfde set hebben gestaan als in de Iraanse film Divine Comedy. Regisseur Ali Asgari verwierf in Nederland al bekendheid met Terrestrial Verses. Daarin lieten coregisseur Alireza Khatami en hij een ontmoeting met een filmcensor naspelen die Khatami echt heeft meegemaakt. Asgari’s paspoort werd hem bovendien afgenomen, toen hij na de première van die film terugkeerde in Iran. Dus heel verwonderlijk is het niet dat hij in Divine Comedy weer een appeltje met de bureaucratie te schillen heeft. Khatami staat als medescenarist op de credits, evenals de filmmakende tweeling Bahram en Bahman Ark. Zij hebben als filmmakers met een Azeri-achtergrond (een onderdrukte Turks sprekende minderheid in Iran) ook al de nodige repressie meegemaakt. In Divine Comedy spelen ze desondanks met veel zelfspot een versie van zichzelf. Met z’n allen slagen ze erin de film nog absurdistischer te maken dan hun werkelijkheid.
Het is inmiddels een beproefd Iraanse filmgenre: satirische tragikomedies over het maken van films. Een van de prominentste Iraanse regisseurs die al zijn hele loopbaan wordt tegengewerkt is Jafar Panahi. Ondanks filmverboden, gevangenisstraf en huisarrest blijft hij films maken, waarin het vaak gaat over de noodzaak en dilemma’s van artistieke vrijheid. Je zou Asgari, Khatami en de gebroeders Ark een nieuwe generatie kunnen noemen die niet alleen met dezelfde problemen worstelt maar er ook haar pijlen op richt. Maar dan met meer slapstick. En meer oog voor een modern Iran.








