Op 1 juni 2018 bracht toenmalig oppositieleider Pedro Sánchez de conservatieve regering onder leiding van Mariano Rajoy ten val met een motie van wantrouwen. De reden voor de motie: vlak daarvoor had een rechter enkele kopstukken van de Volkspartij (PP) van Rajoy veroordeeld wegens corruptie. De socialistische partijleider mocht hierop proberen een regering te vormen en werd premier.

Precies acht jaar later lijken de rollen omgedraaid. Afgelopen maandag probeerde de huidige leider van de Volkspartij, Alberto Núñez Feijóo, steun te verwerven voor een motie van wantrouwen tegen premier Sánchez door de Catalaanse nationalistische partij Junts en de Baskische nationalistische partij PNV aan te bieden met de PP – maar zonder de radicaal-rechtse partij Vox – een regering te vormen. Als reden noemde hij de verschillende corruptiezaken die spelen rondom de socialistische regeringspartij PSOE en Sánchez zelf. Met zijn motie wil hij „de instellingen zuiveren”, zei hij.

De uitkomst is alleen anders dan acht jaar geleden. Hoewel Junts en PNV voorstander zijn van vervroegde verkiezingen, willen ze de PP niet steunen: regionale partijen hebben in het verleden zelden willen samenwerken met de nationalistisch-rechtse PP. De partij van Feijóo op haar beurt wil de motie niet indienen zonder toegezegde steun, omdat die stap „de aandacht zou afleiden” van de corruptie binnen de PSOE.