„Ebola is terug – en deze keer is het politiek”, schreef The Guardian-journalist Tracy McVeigh afgelopen donderdag in de ‘Global Dispatch’, de nieuwsbrief van de krant. De kop boven het stuk laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Ebola legt de verwaarlozing van de Democratische Republiek Congo door de wereld bloot’. Behalve dat er in de media bericht wordt over de laatste ebola-uitbraak in Congo, over de doden die er vallen, het oplopende aantal besmettingen en de gevolgen in de omliggende landen, draait het ook veel om de vraag: waarom werd deze uitbraak zo laat ontdekt?

Inmiddels is duidelijk dat het gaat om het Bundibugyo-virus, een minder vaak voorkomende ebola-variant waarvoor nog geen goedgekeurd vaccin of specifieke behandeling bestaat. Er wordt inmiddels wel aan een vaccin gewerkt, maar het zal nog enkele maanden duren voordat de eerste prik kan worden uitgedeeld. Tegelijk zijn er positieve signalen dat herstellen van de variant wel degelijk mogelijk is. Zondag zei Tedros Ghebreyesus, de directeur-generaal van de WHO, dat inmiddels vijf patiënten waren genezen, van wie vier die dag uit het behandelcentrum in het Oost-Congolese Bunia zouden worden ontslagen.

Volgens de recentste cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn in Congo en Oeganda samen 219 besmettingen met de Bundibugyo-variant geregistreerd, met achttien bevestigde sterfgevallen. Daarnaast worden in Congo nog 349 vermoedelijke sterfgevallen onderzocht. Zaterdag bezocht Tedros Ghebreyesus, de Oost-Congolese provincie Ituri, die beschouwd wordt als het hart van de ebola-uitbraak. „We zijn hier niet om mensen te vertellen wat ze moeten doen. We zijn hier om te luisteren.”