Ze droegen Duitse uniformen, maar waren geen Duitsers. Ze vochten voor Hitler, maar waren geen nazi’s. Ze sneuvelden er aan het front, maar hun overlijdensberichten kwamen niet aan in Duitsland.

In een klein gemeentemuseum in het centrum van de Poolse stad Gdansk zijn ze te zien: Poolse jongens in Wehrmacht-uniform. ‘Onze Jongens – Inwoners van Gdansk-Pommeren in het leger van het Derde Rijk’ – luidt de titel van de tentoonstelling die nog tot eind mei te zien is.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden naar schatting zo’n 450.000 Polen gedwongen om in het Duitse leger te dienen. Tachtig jaar later worden zij in Polen gezien als verraders: Duitsers, collaborateurs, mannen die niet tot ‘onze jongens’ behoren. Terwijl velen van hen juist slachtoffer waren van de oorlog en van de Duitse bezetting.

Een geschiedenis die in veel families wel bekend is, maar zelden wordt uitgesproken. Uit schaamte, angst, of simpelweg omdat niemand precies begrijpt wat er is gebeurd.

Over de expositie werd de afgelopen maanden een verhit debat gevoerd in Polen. Demonstranten verzamelden zich voor de ingang van het museum, rechtse politici spraken van geschiedvervalsing en toenmalig president Andrzej Duda – verbonden aan de nationaal-conservatieve oppositiepartij PiS – sprak van een „morele provocatie”. Zelfs vanuit de regering klonk kritiek: een woordvoerder noemde het een „onaanvaardbare” expositie. Progressieve politici en betrokken families – waaronder die van premier Donald Tusk – hielden zich opvallend stil.