De Amerikaanse tenorsaxofonist Sonny Rollins maakte meesterlijke platen, maar kon ook ravijndiep tobben. Drie keer verdween hij om zijn leven weer op de rails te krijgen, de jazzgemeenschap in verwondering achterlatend. Een van die periodes leverde een van de meest legendarische voorstellingen in de jazz op: Rollins die hoog op de Williamsburg Bridge in New York, boven de East River, nachtenlang saxofoon speelde. Terwijl Manhattan beneden schitterde en het verkeer onder hem door denderde, blies hij zijn noten de koude lucht in. Niet voor applaus, maar alleen met zijn instrument — op zoek naar verdieping, concentratie en een bijna spirituele verbinding met zijn spel. Twee jaar trad hij niet op. Het leidde tot zijn comeback met The Bridge uit 1962.
Sonny Rollins, een van de grootste improvisatoren en meest invloedrijke stemmen uit de moderne jazz, is overleden. Hij werd 95 jaar. De ‘Saxophone Colossus’ – deze bijnaam kreeg hij na het gelijknamige album uit 1956 – overleed thuis in Woodstock. „Tomorrow I’ll play better”, plachtte hij te zeggen. Voor de grootste tobber in de jazz was zijn spel nooit af, nooit voltooid, altijd voor verbetering vatbaar. De bittere werkelijkheid was dat hij door longfibrose al lang niet meer in staat tot saxofoonspelen was.











