Ik heb hier eerder al eens geschreven over het feit dat ik dol ben op Formule 1. En daar blijft het niet eens bij: vorig weekend zat ik voor de buis om (een deel van) de 24 uur van de Nürburgring te kijken, een idioot lange race met idioot veel auto's die rondjes rijden over een idioot lang circuit midden in de natuur.
Rationeel kan ik niet verdedigen waarom zo'n evenement een goed idee is. De vele duizenden liters schaarse brandstof die worden verstookt, met bijbehorende CO2-uitstoot. De vogels in de prachtige Eifel die de hele nacht de stuipen op het lijf worden gejaagd met het gebrul van motoren. Redenen te over om hier niets mee te maken te willen hebben.
Met mijn kijkgedrag help ik het in stand te houden. En ja: ik genoot. Mijn beste verdediging is dat ik er ook erg van genoot als iemand een auto in de kreukels reed en daarmee weer heel wat liters benzine bespaarde.
Misschien vind je me nu hopeloos hypocriet. Net als al die mensen die zich zorgen maken over klimaatverandering, maar wel eens met het vliegtuig op vakantie zijn geweest. Of al die mensen die gezond en biologisch willen eten, maar aan de borreltafel toch een handvol vlammetjes staan weg te werken.
Dat mag je natuurlijk afkeuren, maar ik denk dat we allemaal wel dit soort tegenstrijdigheden in ons hebben. Dat werd me een paar weken geleden weer eens duidelijk toen ik op bezoek was bij de Fontys Hogeschool in Tilburg. Een clubje journalistiekstudenten ging het daar hebben over klimaatverandering: hoe zit het daarmee? En hoe schrijf je erover?













