In 2022 kreeg ik een uitnodiging van het Matthias Corvinus Collegium in Hongarije, een vehikel van Viktor Orbán en zijn Fidesz-partij. Het aanbod? Een week in Boedapest verblijven om workshops te geven en interviews af te leggen over klimaatbeleid en ideologie. Alle reis- en verblijfskosten terugbetaald!

Op het eerste gezicht een aantrekkelijk aanbod. Ze smeerden me bovendien flink wat stroop om de mond over mijn ‘briljante’ analyses van het klimaatdebat. Dat die in de smaak vielen, hoeft niet te verbazen, want ze vloeken duchtig in de linkse kerk. Zowel klimaatbeleid als klimaatwetenschap zijn de afgelopen decennia besmet geraakt door linkse ideologie, die een rationele aanpak in de weg staat: de koppige weerstand tegen kernenergie, de obsessie met ‘100 procent hernieuwbaar’, het misprijzen voor technofixes, het onwetenschappelijke doemdenken en het heilloze pleidooi voor ‘minder, minder’.

Ik ben lang niet de enige heterodoxe stem in de academische wereld die het hof wordt gemaakt door radicaal-rechts. Onderzoekers die de vloer aanvegen met linkse dogma’s zijn dun gezaaid in academia — natuurlijk is dat gefundenes Fressen voor rechts. Dat werkt trouwens ook in de andere richting. Zoals Jezus al begreep in het Nieuwe Testament: er is meer vreugde in de hemel over één zondaar die zich bekeert dan over 99 rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Maar ik ben een progressief, geen rechtse ‘bekeerling’, en daarom heb ik het aanbod vriendelijk afgewezen, met duidelijke opgave van mijn redenen: met een zelfverklaarde ‘illiberaal’ als Viktor Orbán wil ik niets te maken hebben, hoe hoffelijk ze ook zijn.