Het is deze maand zestig jaar geleden dat in China de ontwrichtende Culturele Revolutie begon, toen leider Mao Zedong opriep tot opstand tegen „kapitalisten” en „contrarevolutionairen” binnen de Chinese communistische partij, waarmee hij vooral zijn politieke tegenstanders bedoelde.

Nadat Mao jongeren had gemobiliseerd om met geweld hun leraren en andere vertegenwoordigers van de „oude cultuur” te vervolgen, groeide de machtsstrijd uit tot een chaotische burgeroorlog waarin naar schatting meer dan 1,5 miljoen mensen omkwamen en nog veel meer levens werden verwoest door fysiek en psychologisch geweld. Deze periode eindigde tien jaar later met de dood van Mao in 1976.

In China wordt de gewelddadige periode dit jaar niet publiek herdacht. Hoewel de Communistische Partij de Culturele Revolutie ziet als een „catastrofe” en een „extreem bittere les”, is vrij debat over dit deel van het verleden niet toegestaan. Mao’s fouten worden erkend maar mogen zijn status als grondlegger van het huidige regime niet ondermijnen.

In het nieuwste nummer van het Chinese onafhankelijke geschiedenistijdschrift Herinnering wordt toch uitgebreid teruggeblikt op de Culturele Revolutie, zoals in vrijwel elke editie van het tweewekelijkse ondergrondse blad. In analyses en persoonlijke essays gaat het over de emotionele taal die gebruikt werd bij de persoonsverheerlijking van Mao, het herstel van de orde in de provincie Sichuan na jaren van anarchie, en de „dwangmatige zelfcensuur” van die tijd, toen je altijd op je hoede moest zijn voor het begaan van politieke fouten.