Prehistorische gemeenschappen bestonden niet altijd uit vooral naaste familieleden. Dit blijkt uit een grote dna-analyse op zes hunebedachtige begraafplaatsen in Centraal-Duitsland, van 6.500 tot 5.000 jaar geleden.

Ongeveer de helft van de begraven individuen had inderdaad een duidelijk familieverband met andere mensen in de graven, maar de andere helft juist niet. Eenlingen (singletons) noemt een Duits onderzoeksteam onder leiding van Ben Krause-Kyora (Universiteit Kiel) die ‘familielozen’. Hun onderzoek toont duidelijk „een complex interactiepatroon” in het late neolithicum, zo schrijven de onderzoekers deze week in Science. Binnen lokale groepen waren niet alleen familiebanden van belang, ook ‘buitenstaanders’ konden ver genoeg zijn geïntegreerd om na hun dood te worden verwelkomd in de centrale megalithische graven. Het sociale netwerk in de gemeenschappen werd niet alleen bepaald door biologische verwantschap, aldus de onderzoekers.

Het is bijzonder dat in de tombes voor de helft mensen begraven werden die geen onderdeel waren van de genetische familieclusters in de graven. In vergelijkbare megalithische graven in Zweden en de Britse eilanden uit dezelfde periode liggen die percentages veel lager (respectievelijk 14 en 26 procent). Uit de verschillende graftombes werd in totaal van 203 begravenen het dna-patroon achterhaald. In een tombe hebben de betrokken landbouwgemeenschappen behoorlijk veel mensen begraven, vaak over een periode van honderden jaren, tot wel 235 individuen per graf (in Altendorf) of 177 (in Niedertiefbach). De onderzochte graven behoren tot de Wartberg-cultuur (Kragenflaschenkultur) en de ‘trechterbekercultuur west’ (alleen Sorsum).