Voor liefhebbers van dirigent Iván Fischer, honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest, is het een rijk jaar. In maart won Fischer de Concertgebouw Prijs, daarbij geroemd om zijn originaliteit. In juni geeft hij bij het orkest de jaarlijkse masterclass dirigeren wat, getuige een eerdere editie, talloze muzikale inzichten en bon mots oplevert. In oktober zijn er – een première voor het orkest – stadionconcerten in de Ziggo Dome mét Fischer: met twaalfduizend man meezingen met de Negende symfonie van Beethoven (‘Alle Menschen werden Brüder!’). En woensdag deed Fischer met zijn eigen Budapest Festival Orchestra eenmalig het Concertgebouw aan met onder meer Schumanns Derde ‘Rheinische’ symfonie en de slotscène uit Wagners Die Walküre.

‘Originaliteit’ is een breed begrip. Het programma waarmee Fischer en zijn orkest deze twee weken langs zes steden reizen is op papier vrij mainstream in verhouding tot de experimenten waar hij als dirigent óók bekend om staat. In Schumanns Derde symfonie duiken geen koperblazers op midden in de zaal, er zit geen publiek tussen het orkest en in de uitgevoerde slotscène uit Wagners Die Walküre staan Brünnhilde en Wotan gewoon voor op het podium. De verrassing moest dit keer ín de muziek worden gezocht – en werd daar ook volop gevonden.