Als de weg over de berghelling een bocht naar rechts maakt, weet je even niet wat je ziet. Een seconde later dringt het besef in de auto door: voor de ogen ontvouwt zich het geopolitieke brandpunt van dit moment tegen een achtergrond van in lichte nevel gehulde bergen: de Straat van Hormuz.
Beneden in een baai liggen tientallen kleine vrachtschepen verspreid voor anker bij de havenstad Khasab, op het noordelijkste punt van Oman dat als een vinger de cruciale zeestraat inprikt. De havenstad ligt hemelsbreed op ongeveer zestig kilometer van Iran. De kleine vrachtschepen kunnen geen kant op. Ze wachten tot ze veilig de Straat van Hormuz op kunnen om naar de Verenigde Arabische Emiraten te varen, of naar de overkant, naar Iran.
Tussen de wachtende schepen scheuren de vissers met hun motorboten, die een wit spoor trekken in het azuurblauwe water. De vis komt nog wel van de Straat van Hormuz. Bij de visafslag in Khasab tillen mannen de vissen in gele kratten vanuit een motorboot de kade op, wegen ze hun vangst en bedelven die daarna onder ijs, terwijl de zon meedogenloos brandt. Het is begin mei, 37 graden, het hitteseizoen is begonnen en de oorlog grijpt om zich heen.
Ondanks een huidig staakt-het-vuren houden de ontwikkelingen in de Straat van Hormuz de wereld, de scheepvaart en de inwoners van Khasab in hun greep. De waterweg vormt een cruciale doorgang voor olietankers van de Perzische Golf naar de Indische Oceaan. Ongeveer 20 procent van de wereldwijde oliehandel verloopt via de zeestraat, waar ook vrachtschepen gebruik van maken. Maar sinds de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran is het scheepvaartverkeer tot een minimum gedaald.









