„Iedere avond cirkelen er blauwe en groene lichtjes rondom ons schip, boten van de Iraanse marine. Elke dag horen we raketten overvliegen. Laatst vloog een schip in brand op maar een paar meter van ons vandaan. Af en toe drijft er een uitgebrand marineschip voorbij.”

Ramesh Dhandapani (27) videobelt op een dinsdagavond met NRC, liggend op bed in zijn kajuit van de olietanker Coba, een stoel heeft hij niet. Het schip ligt zo’n twintig kilometer buiten de kust van Iran voor anker, vlak voor het eiland Hormuz. Het is volgeladen met bijna twee miljoen vaten Iraanse ruwe olie, ter waarde van zo’n 130 miljoen dollar.

De nacht na het videogesprek hervat het Amerikaanse leger na een paar weken van relatieve rust de aanvallen op Iran. Terwijl Dhandapani ligt te slapen, slaan een paar honderd meter verderop raketten in. De volgende ochtend zegt Donald Trump dat het vredesakkoord met Iran ‘voorbij’ is.

Dhandapani, vierde werktuigkundige op het schip, zit al vier maanden vast bij Hormuz, midden in oorlogsgebied, ver van zijn thuis in Zuid-India.

Hoewel de Straat van Hormuz de afgelopen weken officieel open was, voeren er dagelijks slechts enkele tientallen schepen door de zee-engte. Nog steeds zitten zo’n zesduizend opvarenden vast in de Perzische Golf. Het verhaal van Dhandapani biedt een uniek inkijkje in hoe zeelieden in de Perzische Golf gevangen zitten tussen twee vuren. Contact krijgen met bemanningsleden is lastig, omdat rederijen contact afhouden en personeel bang is om de pers op te zoeken.