Cabaretier en filosoof Tim Fransen schreef onlangs in de Volkskrant een prikkelend essay over vrijheid, waarin hij refereert aan Wakker in Paraguay, de documentaireserie over een groep Nederlanders die naar Paraguay verhuist om volledig vrij te zijn van staatsbemoeienis. Deze ‘wakkeren’ kregen veel over zich heen; het waren wappies, gekkies, complotdenkers. Fransen stelt echter dat de Paraguay-gangers geen bizarre afwijking zijn, maar „hoogstens een overtreffende trap” van de norm. Wij zijn individualistisch; zij zijn hyperindividualistisch. Het extreme is geen uitzondering op de norm, het legt de norm juist bloot.
Dit graduele denken is ongemakkelijk, want het dwingt tot zelfreflectie: is er iets in de uitvergroting dat herkenbaar is? Het maakt de afstand tussen ‘wij normalen’ en ‘zij gestoorden’ kleiner, en wijst naar vormen van verwantschap. Het roept ook de vraag op wanneer ‘normaal’ overgaat in een aberratie. Wie de extremen bestudeert als uitvergroting van de norm, kan iets over zichzelf leren.
Ik moest eraan denken bij het lezen van twee Amerikaanse boeken over christelijk nationalisme, het fundamentalistische verschijnsel waarbij het christendom samengaat met uiterst conservatieve politiek. Ook in Nederland worstelen christenen hiermee. De meest gehoorde reactie is die van de ‘kaping’: religie is in essentie iets moois, maar is in verkeerde handen gevallen. En dus verenigt ‘goede’ religie zich (denk aan De Linkse Kerk), om zich te keren tegen die kaping.













