In mijn jeugd leerde ik dat je aan tafel tegen aangeboden eten kon zeggen: „Ik zit erop en ik kan er met de vinger bij”. Het was een dubbele boodschap, namelijk dat je wist dat „Ik zit vol” volks was én dat je het lef had deze platheid zwaar te overtreffen, omdat je nu eenmaal niet tot die volkse laag behoorde. De Franse socioloog Pierre Bourdieu noemde dit gedrag „distinctiedrift”: de concurrentiestrijd tussen de verschillende sociale klassen om zich, qua smaak, van elkaar te onderscheiden. In het recente Klasse. Het ontstaan van boven en onder komt de Duitse filosoof Hanno Sauer (1983) nu met een eigen visie op dit sociale gevecht.
Het aardigste van het boek is de toon van de auteur. Er is de afgelopen jaren een kleine bibliotheek aan klasse-kritiek geschreven, vooral door mensen die zich aan de armoede ontworsteld hebben. Een terechte ontwikkeling, aangezien we graag denken dat alle maatschappelijke mogelijkheden openliggen voor wie hard werkt. Maar wie in achterstand opgroeit, moet nog altijd veel overwinnen om ergens te komen. Zie het werk van Franse auteurs als Edouard Louis en Didier Eribon, de Vlaamse Tim ’S Jongers of de Nederlandse Milio van de Kamp. Bij wijze van binnen-zonder-kloppen geeft Sauer echter vroeg in het boek een visitekaartje af en positioneert hij zich tegenover deze auteurs. Onder meer door al snel zijn vader te citeren, die zegt dat het leven pas ná je academische promotie begint. Ja, Sauer komt uit de elite. Niet de zeven-vinkjes- middenklasse van Joris Luyendijk, maar gewoon upper class. En anders dan Luyendijk heeft hij geen zin daarover te tobben.







