Elke coalitie creëert haar eigen oppositie. Partijen die niet meedoen aan een kabinet moeten met elkaar tegenwicht bieden. En op papier is de macht van de oppositie groter dan ooit. Het kabinet-Jetten (D66, VVD, CDA) heeft geen meerderheid in de Eerste of Tweede Kamer, de oppositie kan alles wegstemmen. Of zelfs het kabinet naar huis sturen.

De komende week, met Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen, het belangrijkste politieke debat van het jaar, wordt de grote test voor deze machtsbalans. Het kabinet presenteert de begroting voor het komende jaar, en zal voor de verdeling van het geld steun bij elkaar moeten bedelen bij een onwillige, hier en daar ronduit chagrijnige oppositie. Het worden dus spannende dagen in Den Haag, want zonder steun voor de Rijksbegroting heeft het kabinet geen bestaansrecht.

Maar hoeveel macht heeft de oppositie écht? Vraag het Kamerleden uit de oppositie en het antwoord is meestal dat het wel meevalt met die macht. Natuurlijk staat de coalitie wankel, maar dat betekent niet dat de oppositie daar gebruik van kan maken. Fractievoorzitter Mirjam Bikker (ChristenUnie, drie zetels) voelt bijvoorbeeld „frustratie” over haar rol. „Ik vind het moeilijk oppositie te voeren, omdat ik ook dingen wil bereiken en het kabinet daar ook bij nodig heb. Maar ik weet niet wat ik aan ze heb, het is lastig om meerderheden te vinden.”