Lee Cheuk-yan, Chow Hang-tung en Albert Ho organiseerden jaarlijks een wake om stil te staan bij de gebeurtenissen in 1989. Ze stonden terecht voor het "aanzetten tot, organiseren, beramen of plegen van of deelnemen aan onwettige handelingen". Dat gebeurt op grond van nieuwe veiligheidswetten die door de Chinese regering zijn opgelegd.
Lee kreeg een celstraf van zeven jaar opgelegd, Chow kreeg zeven jaar en drie maanden en Ho moet vijf jaar en twee maanden de cel in. Ho was de enige die schuld bekende in de zaak, wat een van de redenen is dat zijn straf lager uitviel.
De rechter rekent het de verdachten aan dat zij bewust doorgingen met het organiseren van de herdenking, ook al wisten ze dat ze het risico liepen om de door China opgelegde veiligheidswetten te schenden.
De rechtszaak wordt gezien als nieuw bewijs van Chinese bemoeizucht met Hongkong, dat grotendeels onafhankelijk is maar formeel onder China valt. De regering van Xi Jinping heeft de laatste jaren haar grip op de stadstaat steeds verder verstevigd, tot onvrede van het lokale bestuur.
Het protest op 4 juni 1989 op het Tiananmenplein in Peking is een gevoelig punt voor de huidige Chinese regering, die het onderwerp grotendeels censureert. Studenten protesteerden die dag op het plein naar aanleiding van de dood van Hu Yaobang, een progressieve en voor Chinese begrippen revolutionaire partijleider. Hij werd door de Communistische Partij uit zijn functie gezet nadat hij kritiek had geuit op de harde aanpak van eerdere studentenprotesten.













