Als je schrijft over klimaatverandering, dreig je soms last te krijgen van whiplash. De ene keer schrijf je over iets kleins, de andere keer over ontwikkelingen op wereldschaal. De ene dag ben je op bezoek bij een gemaal dat een klein stukje van het droogteprobleem moet oplossen, de andere dag gaat het over de gemiddelde temperatuur van al het oceaanwater op aarde.
Toen ik vorige week schreef over de ingrediënten van een zak chips - en in bredere zin het belang van weten wat je eet - kreeg ik een aantal kritische reacties. Waarom moet het nou weer gaan over onze keuzes in de supermarkt terwijl de wereld dagelijks 100 miljoen vaten olie gebruikt, was bijvoorbeeld de strekking van een reactie.
Het is een eeuwig dilemma. Begint een beter milieu bij jezelf? Misschien wel, maar daar eindigt het zeker niet. Als klimaatverslaggever wil ik schrijven over dingen waar mensen zelf invloed op hebben, maar het is inderdaad ook belangrijk om oog te houden voor het grotere plaatje.
Hoe belangrijk dat grotere plaatje is, werd er deze week nog eens ingewreven door een rapport van het VN-milieuprogramma, waarin wordt voorspeld dat de wereld minimaal 1,8 graden Celsius zal opwarmen ten opzichte van de periode voor het massale gebruik van fossiele brandstoffen. Het 1,5 gradendoel uit het Parijsakkoord wordt definitief gepasseerd, al kopen we nog zo veel streekproducten.







