Toen Enzo Fernandez in de winter van 2023 voor 120 miljoen euro de overstap maakte van Benfica naar Chelsea, kwam hij symbool te staan voor het roekeloze transferbeleid van de Londense club. De middenvelder was net wereldkampioen geworden met Argentinië, maar een bewezen topspeler was hij allerminst. Hij speelde pas een half jaar in Europa, nadat hij een paar maanden eerder voor ruim 40 miljoen euro door Benfica was gekocht van River Plate uit Buenos Aires.

Nu, tweeënhalf jaar later, bewijst Fernandez het gelijk van de Amerikaanse eigenaren van Chelsea. Althans, het financiële gelijk. Ondanks de komst van talloze dure spelers presteert de club al jaren ondermaats, afgelopen seizoen eindigde Chelsea op een teleurstellende tiende plek in de Premier League. Ook Fernandez kon het verschil niet maken. Desondanks werd hij afgelopen dinsdag, vlak voor het sluiten van de Engelse transfermarkt, voor 145 miljoen euro verkocht aan rivaal Manchester City.

De deal toont de inflatie op de transfermarkt – en dan vooral in Engeland. Premier League-clubs gaven deze zomer 4,1 miljard euro uit aan nieuwe spelers, zo berekende dataverzamelaar Transfermarkt: een record en zo’n 17 procent meer dan jaar geleden. Opvallend is dat ook het door Engelse clubs betaalde bedrag per speler met bijna een kwart toenam tot gemiddeld ruim 13 miljoen euro.