Ze hingen erbij als scheefgezakte zandzakjes. De meesten in diepe slaap of semi-coma, kinderhoofdjes op elkaars schouders, in gymschoenen gestoken benen wijd uit elkaar. Sommigen rolden nog met hun ogen of maalden met hun kaken, anderen rochelden de laatste plasjes op het perron. Geen van hen sprak, afgezien van wat gemompel.

Zaterdagochtend op NS-station Alexander, een uur of zes, medio jaren negentig. Ik had er als redacteur Binnenland een nachtdienst bij NRC Handelsblad op zitten, zij een nachtje stappen. Geen van hen ouder dan een jaar of zestien, sommigen op het oog zo jong dat ze iets eerder nog met steunwieltjes fietsten. Daar zaten ze. Volkomen high.

Mij schoten de jaren zeventig te binnen. Toen drugsgebruik nog geen nationale sport was, maar een subculturele waas had van exclusiviteit. Toen we na schooltijd in schimmige koffiehuizen onder de toonbank onze brokjes stuff kregen. Soms moest er een jonge psychonaut uit een boom worden gehaald. Af en toe bereikten ons berichten van steek- of schietpartijen uit Amsterdam – ver weg.

En nu, een kwart eeuw na de pillenslikkertjes op het station en een halve eeuw na die hippe seventies trekt een bende zwaarbewapende drugscriminelen om vier uur ’s nachts schietend door, of all places, het Gelderse Overasselt, in wat een scène leek uit Scarface of de Netflix-serie Narcos. Er viel één dode. Welkom in Holland drugsland.