Was de Tweede Kamer een „verlengstuk” van het kabinet Rutte III tijdens de coronacrisis of een controlerende macht die de vrijheidsbeperkende maatregelen van dat kabinet kon tegenhouden? Die vraag stond centraal tijdens het verhoor van oud-fractievoorzitter Kees van der Staaij (SGP) maandagmiddag in de parlementaire corona-enquête.

Eén aanleiding voor die vraag aan Van der Staaij was dat toenmalig minister van Justitie, Ferdinand Grapperhaus, de SGP-voorman vroeg een persbericht te schrijven voor het Reformatorisch Dagblad, dat veel wordt gelezen in SGP-kringen. Wegens zijn achtergrond kent Van der Staaij die kerkelijke gemeenschap goed en hij zou hun vragen en zorgen beter begrijpen dan Grapperhaus zelf, was het idee. Achteraf zegt Van der Staaij dat de minister dat persbericht beter zelfstandig had kunnen schrijven.

Van der Staaij probeerde wel degelijk de controlerende taak van de Kamer in stand te houden, vertelde hij. Zo vroegen hij en toenmalig Kamerlid Rob Jetten (D66) in april 2020, een maand nadat de eerste lockdown inging, via een motie om de Raad van State naar de grondrechtelijke gevolgen van de beperkende maatregelen te laten kijken.

Het kabinet werkte op dat moment met een noodverordening, die vervangen zou moeten worden door een wet. Uiteindelijk werd die wet pas op 1 december 2020 ingevoerd, toen er al negen maanden voorbij waren. „Critici zeiden, en er was steeds meer onrust in de samenleving, dat de wet de maatregelen mogelijk maakte. Maar wij wilden juist dat die wet alle maatregelen fatsoenlijk regelde. We wilden juist níet dat de vrijheid-inperkende maatregelen verder gingen dan nodig.”