Uit cafés en restaurants dreunt harde muziek. Vanaf de branding klinkt het getok van heen en weer kaatsende balletjes van matkot, wat wordt gezien als de nationale strandsport. Surfers sjokken met board, zware wetsuits en zoute haren door het zand. Hardlopers, fietsers, skeeleraars en wandelaars passeren elkaar op de boulevard.
Op de afgeladen stranden van Tel Aviv lijkt het alsof er in het land, in bezet Palestina en in de regio weinig aan de hand is. Zo nu en dan vliegt er een legerhelikopter over. Om de zoveel honderd meter staat een wit betonnen hokje als schuilkelder. Op bordjes wordt de afstand daarnaartoe aangegeven.
Tijdens de Iraanse vergeldingsaanvallen, volgend op de eind februari ontketende Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran, bleef Gal Elalel als het luchtalarm klonk met haar surfboard in het water. De 47-jarige – diepgebruinde huid, blond vlassig haar, in wetsuit – komt hier iedere dag. „Als ik niet meer naar het strand ga, dan hebben we de oorlog verloren.”
Hedonisme als imago van de stad
„Het strand zit in het dna van Israëliërs”, zegt Karen Gaf (50), werkzaam voor een Europese gereedschapsproducent, vanaf een picknickbank bij een surfschooltje. „Wij hebben generaties lang slechte tijden gekend. Mijn grootouders die de Holocaust overleefden, kwamen direct naar Tel Aviv. Er is de militaire dienstplicht op je achttiende. Dus wat kunnen we anders doen dan plezier hebben? Zelfs als het oorlog is, en iedereen om ons heen ons haat.”







