Simon Pennings buigt voorover en klauwt in de grond waar de dahlia’s staan. Vier hectare beslaat dit veld, met duizenden planten, de bloemen werden in juni verwijderd. „Als de grond goed is”, zegt hij, terwijl hij zo hard in het kluitje knijpt dat zijn knokkels wit worden, „als de grond vochtig genoeg is dan blijft ze als een bolletje op je hand liggen.” Zijn vingers heeft hij nog niet geopend of het hele plukje vervliegt in de wind. Hij tuurt naar zijn lege handpalm: „Hier schrik ik toch wel van.”

Al weken regent het nauwelijks en is het zo heet dat elke neerslag meteen verdampt. Bollenkweker Pennings woekert al die tijd met het beetje water dat resteert. Hij is voorzitter van landbouworganisatie LTO en voorzitter van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur, regio Duin- en Bollenstreek. Dus Pennings spreekt voortdurend over het watertekort – is het niet met collega-kwekers dan wel met het hoogheemraadschap Rijnland, dat het water in dit gebied beheert. Pennings wéét dat de situatie ernstig is. En toch verrast het hem deze zomer telkens weer hóé ernstig het is.

Je ziet de emotie toenemen bij de mensen. Je komt zowat tegenover elkaar te staan, het ene belang tegenover het andere