De gezamenlijke poging van Japan en de Verenigde Staten eind juli om de koers van de yen tegenover de dollar te versterken, lijkt maar kortstondig effect te hebben. Op het moment van de interventie kostte een dollar 164 yen. Na de interventie stond de dollar op 156 yen, inmiddels is dat weer opgeklommen tot 160 yen voor een dollar. Hoe meer yens er voor een dollar betaald moeten worden, des te zwakker de yen staat.

Daarmee is ongeveer de helft van de interventie alweer tenietgedaan. Naar verluidt zouden de VS en Japan samen 70 tot 80 miljard dollar aan de interventie hebben uitgegeven (waarmee yens werden aangekocht om de koers op te krikken). Japan betaalde het grootste deel, de VS zouden omgerekend rond de 10 miljard dollar uitgegeven hebben.

Valuta-analisten waarschuwden al direct dat dergelijke interventies vaak alleen effect hebben als ook de onderliggende economische fundamenten veranderen. In het geval van Japan zou de Japanse centrale bank de rente hebben moeten verhogen om de koers van de yen te steunen. Dat is niet gebeurd, omdat Japan een enorme staatsschuld heeft die door renteverhogingen snel onbetaalbaar wordt. Ook was er geen ondersteunend overheidsbeleid (in de vorm van bezuinigingen of belastingverhogingen) om de valuta-interventie te ondersteunen.