Het is een bijna bovenmenselijke prestatie: alle zes Triosonates van Johann Sebastian Bach spelen op één avond. Muziek die zo complex is dat je er zowat drie hersenhelften voor nodig hebt. Vrijwel niemand durft het aan om ze alle zes achter elkaar te spelen, maar organist Jan Liebermann flikte het – op zijn achttiende nota bene. Sterker nog, hij speelde het concert volledig uit zijn hoofd.
Dat was twee jaar geleden. Sindsdien gonst zijn naam rond in de orgelwereld. In recensies wordt de term wonderkind al gebruikt, maar daar wil de jonge Duitser niets van weten. „Ik hou niet van dat woord. Het doet geen recht aan al het harde werk dat eraan voorafgaat. Het is niet alsof je zomaar uit de lucht komt vallen.”
Liebermann (2005) begon met pianospelen op zijn zevende en kroop op twaalfjarige leeftijd voor het eerst achter het elektronische orgeltje van zijn moeder. De leercurve is steil: afgelopen najaar maakte hij zijn debuut bij de Berliner Philharmoniker en inmiddels ligt er een eerste soloalbum.
„De één leert natuurlijk sneller dan de ander”, zegt Liebermann aan de telefoon vanuit zijn thuisstad München, „maar het is en blijft hard werken. En hoe verder je wilt komen, hoe meer je zult moeten aanpoten. Dus nee, ik geloof niet zo in de term wonderkind. Waar ik wel van overtuigd ben, is dat er genieën bestaan – Bach is daar een voorbeeld van.”







