Wanneer het loom wiegende lied „Clandestino” van Manu Chao bijna is uitgespeeld, klinken plots Marokkaans-Arabische stemmen. De Frans-Spaanse muzikant heeft gezongen over een man zonder papieren die naar het noorden trok om te werken en zijn leven tussen Ceuta en Gibraltar achterliet. In de laatste seconden van de album-opname vertelt een man hoe mensen uit Mauritanië onderweg zijn om de grens naar Europa over te steken.

Socioloog Mehdi Alioua, die de ‘vertrekkers’ vanaf het continent al twintig jaar volgt, kan zich goed voorstellen dat in zo’n gesprek het woord harrag valt. Het komt van l’hrig, van het Arabische werkwoord voor verbranden, en is verbonden aan het wagen van de oversteek. Een harrag is iemand die de grens en de regels die haar gesloten houden spreekwoordelijk verbrandt.

In Ceuta hoefde niemand uit te leggen wat harrag betekende. Duizenden jonge Marokkanen liepen of zwommen afgelopen week de Spaanse exclave binnen, een klein stuk Europa aan de noordelijke Marokkaanse kust. Volgens de laatste officiële Spaanse telling kwamen daarbij zeker 88 mensen om het leven.

Alioua, decaan van het Instituut voor Politieke Studies aan de Internationale Universiteit van Rabat, hoort in dat woord iets anders dan louter wanhoop. „Het is een daad waarmee je jezelf opeist. Een vorm van verzet tegen de staat en de samenleving. Het is bijna een geuzennaam”. Nieuw is het woord niet. Het gaat sinds de jaren negentig rond, in Marokko net als in Algerije en Tunesië, met dezelfde onderliggende boodschap: je niet neerleggen bij arbitraire grenzen. „De generatie van de harrag lijkt tijdloos. De eersten die in de jaren negentig zo werden genoemd, zijn inmiddels oud genoeg om de ouders te zijn van de jongeren die vandaag vertrekken. ”