In de Via Montenapoleone, een lange winkelstraat in het hart van de Milanese modewijk, liggen zij aan zij chique boetieks van de bekendste Italiaanse en internationale modemerken en designers. De buurt, populair bij fashionista’s en kooplustige toeristen, ademt luxe en weelde uit. Maar van luxe is bepaald geen sprake in de Chinese ateliers waarin onderbetaalde arbeiders, vaak zonder verblijfsvergunning in Italië, zulke luxeproducten maken.
Uit gerechtelijke documenten die NRC kon inkijken, blijkt dat de arbeiders in deze Chinese modeateliers onder groezelige en onveilige omstandigheden werken, met machines waarvan de beveiliging is weggehaald om de productie te verhogen, en in de buurt van ontvlambare producten die niet adequaat zijn opgeborgen. Het elektriciteitsverbruik toont aan dat de ateliers ook ’s nachts en op feestdagen in bedrijf zijn. De arbeiders, meestal Chinezen, werken, eten én overnachten in het atelier, in onhygiënische en geïmproviseerde slaapzalen zonder privacy. Een deel van hun karige salaris wordt ingehouden voor kost en inwoning.
Italië blijft een wereldleider in de luxe-industrie, met ruim 40 procent van alle Europese productiebedrijven in deze sector. Mode maakt 5 procent uit van het Italiaanse bbp en de uitvoer ervan brengt 60,8 miljard euro op, zo’n 9,5 procent van de totale export. Vastberaden om er orde op zaken in te stellen, voert aanklager Paolo Storari (60) van het Openbaar Ministerie in Milaan sinds twee jaar een grondige schoonmaakoperatie uit in de sector. Niet door de laatste en zwakste schakel aan te pakken, en de eigenaar van de Chinese sweatshop te arresteren, wel door de grote modehuizen ter verantwoording te roepen die hun producten in zulke ateliers laten maken.






