De duizelingwekkend grote investeringen van Amerikaanse techbedrijven in datacenters, geavanceerde chips en stroomvoorziening lijken een teken van enorm vertrouwen in de economische potentie van kunstmatige intelligentie. Microsoft, Google, Amazon en Meta trokken in het tweede kwartaal van dit jaar bij elkaar meer dan 160 miljard dollar (139 miljard euro) uit voor de infrastructuur die nodig is om AI te ontwikkelen en te laten functioneren, berekende de Financial Times deze week. Sinds het begin van de AI-hausse in 2023 zouden ze er samen al meer dan duizend miljard dollar in hebben geïnvesteerd. En alles wijst erop dat de investeringswoede de komende tijd alleen nog maar verder toeneemt.
Maar onder beleggers begint enige nervositeit te ontstaan, blijkt nu. Gaan die reusachtige investeringen zich wel terugbetalen? Of kunnen de techbedrijven eigenlijk niet anders dan meehollen in de AI-race, om te voorkomen dat ze achterop raken en ten onder gaan? Kortom, hebben ze eigenlijk „een pistool tegen hun hoofd”, zoals een financieel commentator van de FT deze week in een podcast hun dilemma beeldend uitdrukte, en is hun keuze als het ware „AI or die”? Of zal het een van de grote techbedrijven wél lukken om tegelijk de kosten uiteindelijk in toom te houden én op AI-gebied voorop te lopen? Groeiende ongerustheid over de concurrentie van AI-bedrijven uit China vergroot de spanning nog.















