Een stomp in zijn gezicht. Dat is wat John-Calum Macleod, oftewel Cal, krijgt als hij is teruggekeerd naar het Schotse eiland Harris. Het is vader John die de klap uitdeelt en het blijft niet bij die ene stomp. „Met zijn rechterhand gaf hij hem nog drie vuistslagen; elke klap was harder, furieuzer en resoluter dan de vorige. Cal bracht zijn armen omhoog om zich te verweren, maar John nam alleen even de tijd om in te schatten hoe hij om de verdediging van zijn zoon heen kon slaan.”

Na een paar jaar te hebben doorgebracht in Edinburgh is Cal op verzoek van zijn vader teruggekomen naar de kleine Vrije Presbyteriaanse gemeenschap op de Buiten-Hebriden, een plek die voornamelijk wordt bevolkt door vissers, schapenboeren en wevers. Aanleiding voor zijn terugkeer is zijn grootmoeder Ella, die volgens John paarsige voeten heeft („de kleur van kalfslever”) en steeds meer met schapen praat. „Het is tijd”, had John aan de telefoon gezegd nadat hij eerst voor zijn zoon een psalm in het Gaelic had gezongen. Tijd om te zorgen voor zijn grootmoeder, tijd om een echte man te worden. En dan komt, niet lang na zijn terugkeer, die stomp.

Het is een geweldsuitbarsting die voortkomt uit jaren van emotionele onderdrukking. Een woede die al begon toen John door zijn vrouw Grace werd verlaten en hij, alleen in haar huis werd achtergelaten met haar moeder Ella en zijn negenjarige zoon. Een woede die hij voor het eerst uit wanneer Cal twaalf is en hij hem door elkaar rammelt, omdat hij iets doet „op een te verwijfde manier”. En een woede die tot uitbarsting komt wanneer de inmiddels 22-jarige Cal op een zondag, kort na zijn terugkeer, te laat de kerk binnenloopt en de preek verstoort.