Het was augustus en ik was in Rome, ziek en brak tussen de ruïnes van een ooit almachtig rijk. De hitte was die maand ondraaglijk. Elke ochtend werd ik wakker door de ontwenningsverschijnselen van de alcohol, mijn lichaam badend in het zweet. De middagen bracht ik doelloos zwervend door in het centrum van de stad, op zoek naar schaduw onder de standbeelden van oorlogshelden.
Eerder dat jaar was ik, na elf jaar nuchter te zijn geweest, weer begonnen met drinken. Daar was geen goede reden voor, er was geen tragische gebeurtenis of levenscrisis; ik had beter moeten weten. Drugs en alcohol hadden me in mijn twintigerjaren bijna het leven gekost, en in de tien jaar daarna was mijn leven juist heel goed geworden. Ik ging weer studeren, trouwde en publiceerde twee boeken.
Meghan O’Gieblyn is een Amerikaanse schrijver en essayist.
Maar het overlevingsinstinct waarmee ik dat alles voor elkaar had gekregen, leek zich plotseling tegen me te keren en sloeg om in roekeloosheid. Ik hield mijn terugval voor iedereen verborgen, ook voor mijn man. We waren voor zijn werk in Rome, maar toen ik covid kreeg, nam hij een eigen hotelkamer om te voorkomen dat hij besmet zou raken. Nog geen uur nadat hij ons gehuurde appartement had verlaten, stond ik in de buurtsuper 20 euro af te rekenen voor een fles wodka.






