„Ik vind”, zei Janine Abbring, „dat jíj nu…” – ze sloeg beslist met haar linkerhand op tafel – „…op de tafel moet gaan staan.” Peter Pannekoek stond best welwillend tegenover dat verzoek, maar zag nog niet helemaal in wat hij dan op die tafel moest doen. „Nou ja”, zei Abbring, die met haar rechterhand de lange, dunne draad vasthield die zojuist uit het decor naar beneden was gevallen. Het ding zat nog steeds vast aan het plafond.

„Gaan we dit…?”, zei Pannekoek. „We gaan dit óplossen, toch?”, zei Abbring. Ze liet de draad even los; hij bungelde recalcitrant voor haar hoofd. Nu schoven Abbring en haar Zomergast gelijktijdig hun stoelen naar achter om vanuit een staande positie naar de draad te kijken. „Ik wil er best even aan trekken”, zei Pannekoek. „Nee”, zei Abbring. „Niet aan trekken.”

„Mensen denken dat dit nep is”, sprak Abbring de kijker toe. „Néé. Er valt hier iets uit het plafond en we gaan nu, live op tv, dit proberen op te lossen.” Pannekoek nam een slokje uit zijn enorme waterglas terwijl hij toekeek hoe Abbring onduidelijke handelingen uitvoerde met de draad. „Ik wil eerst even weten wat jouw plan van aanpak is”, zei hij. „Wat jij denkt hier op te lossen.” Abbring wist het zelf ook niet zo goed. Pannekoek had een veel beter uitgedacht plan: hij gooide de draad heel hoog de lucht in en hoopte vervolgens erg hard dat hij niet meer naar beneden zou komen.