Huub Artz gaapt. De 24-jarige Nederlander is net neergeploft op de bank in de foyer van een ketenhotel op een industrieterrein in Saint-Genis-Pouilly, vlak bij het Meer van Genève. Het is half één ’s middags op de tweede rustdag in de Tour de France. Op zo’n dag, zegt hij, na twee weken koers, laat hij zijn lichaam even toe om tot rust te komen. „Dan voel je hem wel.”
Zijn geblondeerde haar is nog nat van de douche. De ploeg had vanmorgen een cadeau voor hem: een nieuwe, rood-wit-blauw gespoten tijdritfiets. Verdiend met het winnen van het Nederlands kampioenschap tijdrijden, afgelopen juni. Hij heeft er meteen een testrondje op gemaakt. „Het voelt vlot”, lacht hij, „sneller dan een andere tijdritfiets.”
Van alle Nederlandse renners die meedoen aan de Tour is debutant Artz de grootste verrassing. Zijn Belgische ploeg Lotto-Intermarché nam hem als aanvaller mee, maar nadat de beoogde afmaker Arnaud De Lie al vroeg uitviel, kreeg hij de ruimte om zelf te sprinten. Dat ging boven verwachting goed. Tot maandag finishte hij vier keer in de top-10 in de massasprint; woensdag werd hij in Voiron zevende; zijn vijfde top-10-notering.
„Hier had ik niet van durven dromen”, zegt Artz – zachte stem, Brabantse tongval – in de foyer. „Van de goede uitslagen, maar ook van de manier waarop. Als sprinter, in de Tour de France. Het is ook geen gelukje geweest dat ik er steeds bij zat.” Hardop vraagt hij zich inmiddels af of hij zich niet meer op het sprinten moet gaan richten, als het zonder gerichte voorbereiding al zo goed gaat.













