Op een paar honderd meter afstand van hunebed D5, net buiten het Drentse Zeijen, stapt fysisch geograaf Anja Verbers een drassig berkenbosje in: het Witteveen. De bomen vormen een opvallend contrast met de grote lappen landbouwgrond eromheen. „Net alsof je een andere wereld binnengaat. Heel feeëriek.” De andere wereld ligt een paar meter lager dan de aangrenzende asfaltweg en heeft een zacht verende ondergrond. Veen. Na de droogte van de afgelopen tijd is het goed begaanbaar. „Anders zou de bodem nu een kleddernatte spons zijn.”

Het veen vormt de opvulling van één van de opmerkelijkste landschapselementen in Nederland. Want de laagte waarin we ons bevinden is een pingoruïne – een restant uit de koudste fase van de laatste ijstijd, het Weichselien, tussen de 116.000 en 11.6500 jaar geleden. Rond 20.000 jaar geleden veranderde het noorden van Nederland enkele duizenden jaren in een poolwoestijn, vol heuvels met een kern van ijs.

Anja Verbers.Foto Sake Elzinga

„Die pingo’s komen nu nog voor in bijvoorbeeld Canada en Alaska. Het woord is een afkorting van wat de Inuit pingosariuk noemen, wat zoveel betekent als ‘heuvel die groeit’. Dat groeien gebeurt als er onder extreem koude omstandigheden een massieve ijslens ontstaat in de ondergrond, die de bovenliggende bodem omhoog duwt.” Als het vervolgens weer warmer wordt, smelt die ijsmassa en blijft er alleen een cirkelvormige laagte over.