De Volkswagenfabriek in Zwickau, een stadje vlakbij de grens met Tsjechië, maakt geenszins een noodlijdende indruk. Het is een enorm, gloednieuw complex. Op het terrein naast de fabriekshallen wordt een suv van Audi getest – iemand rijdt er althans op hoge snelheid en met piepende banden steeds weer achtjes mee. Halverwege de dag, als de ploegen elkaar afwisselen, lopen honderden of misschien wel duizenden mannen en enkele vrouwen de fabriek in en uit.
Een van hen is Enrico, een 53-jarige man die zijn achternaam niet vermeld wil zien om de relatie met zijn werkgever niet te belasten. „Ik werk bijna dertig jaar bij VW en zou dat graag tot mijn pensioen blijven doen”, zegt hij.
De fabriek in Zwickau, waar sinds enkele jaren uitsluitend elektrische modellen van de band rollen, wordt met sluiting bedreigd. De auto-industrie is in crisis, en om de kosten te drukken wil Volkswagen-topman Oliver Blume tot 2030 honderdduizend banen schrappen en vier Duitse fabrieken sluiten. De productie moet efficiënter worden, en Blume wil het aantal modellen in het hele Volkswagen-concern halveren.
Volkswagen – waartoe ook Audi, Seat, Skoda en Porsche behoren – verkoopt kort gezegd te weinig auto’s. In het tweede kwartaal werden 2,1 miljoen auto’s verkocht, en dat is bijna 9 procent minder dan in dezelfde periode het jaar daarvoor. Vooral in China en de VS is de afzet gedaald – in de VS vanwege importheffingen en een streep door subsidies voor elektrische auto’s, in China omdat de concurrentie daar auto’s verkoopt die goedkoper zijn en beter op de markt afgestemd. Chinese consumenten stellen prijs op karaokefuncties, een massagestoel en een ijskast in de auto, wensen waaraan Volkswagen niet of te laat tegemoet kwam.







