Er is een reële kans dat de Amerikaanse president Donald Trump zondag gedwongen wordt om terug te komen op zijn woorden. „Ik wil niets te maken hebben met Spanje”, zei hij eerder deze maand op de NAVO-top in de Turkse hoofdstad Ankara. Dat is moeilijk vol te houden als je de wereldbeker moet overhandigen aan het Spaanse voetbalteam.
Hoewel Trump zich het hele toernooi nog niet op de tribune heeft laten zien, maakte de FIFA eerder al bekend dat de president een prominente rol zal spelen bij de slotceremonie. Hij zal de beker hoogstpersoonlijk in de handen van de winnende aanvoerder drukken – uitzonderlijk, meestal pakt de aanvoerder de trofee zelf van de sokkel. Het enige dat Spanje hoeft te doen om dit ongemakkelijke moment te verwezenlijken, is zondag in de finale Argentinië verslaan.
De spanningen tussen Trump en het Spanje van de socialistische premier Pedro Sánchez begonnen al ver voor dit WK. Dat Trump en Sánchez een andere politieke ideologie aanhangen, anders politiek bedrijven en anders kijken naar internationale politiek, was vanaf het begin duidelijk. Als hoofd van een van de weinige linkse regeringen in Europa staat Sánchez ver af van Trumps MAGA-agenda.
De eerste directe confrontatie vond vorige zomer plaats tijdens de NAVO-top in Den Haag. Sánchez was daar de enige regeringsleider die weerstand bood aan het verhogen van de NAVO-norm van 2 naar 5 procent van het bruto binnenlands product. „Onredelijk en contraproductief”, noemde de Spaanse premier de verhoging in een brief. Trump reageerde als door een wesp gestoken. „Jullie zijn het enige land dat niet betaalt. Ik snap niet wat jullie probleem is”, zei hij in Den Haag tegen Spaanse journalisten. „We gaan Spanje twee keer zoveel laten betalen. En ik meen dit serieus.”












