In Turkije werd deze maand cabaretier Deniz Göktaş opgepakt omdat hij tijdens een voorstelling grappen had gemaakt over president Erdoğan. Het bericht liet me niet los, misschien omdat ik nu zelf in Turkije ben, en omdat dit mijn laatste column voor NRC is.

Wat me tijdens ieder bezoek aan Turkije opnieuw treft, is dat de lethargie steeds verder om zich heen grijpt. Veel mensen hebben het land opgegeven. Als je doorvraagt, valt je de Fernweh op: een verlangen naar een land dat er niet meer is. Stille rouw. Hun hoop is klein geworden, zie ik bijvoorbeeld aan mijn nicht. Haar moeder heeft nog geen zorg nodig. Haar dochter die afstudeert. Meer verwachten ze nauwelijks meer. Ze richten zich op het kleine leven, op de dingen waar ze nog invloed op hebben.

Die houding doet me aan Nederland denken. De omstandigheden zijn onvergelijkbaar, maar ook bij ons zie ik een groeiende onverschilligheid. Mensen die zich vooral ergeren maar niet actief zijn, thuisblijven en niet stemmen, laten het publieke debat en de democratie steeds meer over aan mensen die wel bereid zijn zich te organiseren.

Onverschilligheid gaat gepaard met wantrouwen in ‘de instituties’ (zonder dat mensen zich er inhoudelijk nog in willen verdiepen). Dat is precies de voedingsbodem voor de flanken die een simpel verhaal bieden over de schuldigen (het systeem, het grootkapitaal, de elite) zónder oplossingen. Onverschilligheid is niet onschuldig. Wie afhaakt, laat het politieke veld over aan de ander, en dat zijn juist de stemmen aan de flanken.