Hij had in een psychose gehandeld toen hij, in opdracht van prinses Beatrix, zijn 63-jarige moeder in Hellevoetsluis met een bijl onthoofdde. Met haar hoofd in een zak werd de 32-jarige Jesse R. daarna van de snelweg geplukt. De rechtbank Rotterdam verklaarde hem volledig ontoerekeningsvatbaar en legde hem in april tbs met dwangverpleging op. Geen celstraf.
Maar Sendric S., de 25-jarige man die in Rotterdam-Zuid drie mensen op straat doodschoot omdat „stemmen” hem daartoe de opdracht hadden gegeven, kreeg in dezelfde maand april tbs met dwangverpleging én 14 jaar celstraf. „Ergens wist u wat u deed”, vond de rechter. Al werden S., die volgens deskundigen schizofreen was, zijn misdaden wel in „sterk verminderde mate” aangerekend (het Openbaar Ministerie had twintig jaar cel met tbs geëist).
In zaken waar toerekeningsvatbaarheid in het geding is kunnen zulke grote verschillen optreden. Waarom? Al jaren pleiten juristen en gedragswetenshappers voor duidelijker criteria bij de toekenning van (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid, een grond voor strafuitsluiting. Het is een complexe vraag omdat rechtspraak en medische wetenschap elkaar hier kruisen – en een balans moeten vinden. Bij schokkende zaken als die van Sendric S. speelt bovendien dat de maatregel tbs door veel mensen wordt gezien als ‘milder’ dan gevangenisstraf, wat kan indruisen tegen de maatschappelijke behoefte aan vergelding.








