Op het gezicht van Kaja Kallas verschijnt maandagochtend, zo rond een uur of acht, een glimlachje. Een bitterzoete glimlach, dat wel. „Als jurist ken ik een gezegde: waar twee juristen zijn, zijn er drie meningen”, aldus de buitenlandchef van de Europese Unie. „Dat is hier aan tafel niet anders.”

De kwestie aan de vergadertafel is of de EU de handel met Israël moet beperken. Al tijden pleit een groep landen, waaronder Nederland, voor een verbod op goederen uit Israëlische illegale nederzettingen. Al even lang is een andere groep landen daar fel op tegen. Maandag had een overleg tussen de 27 ministers van Buitenlandse Zaken en Kallas tot klaarheid moeten leiden.

In plaats daarvan is het debat beland in een sterk staaltje juridische haarkloverij. Alles draait om een ogenschijnlijk technische vraag: is zo’n maatregel tegen Israël een handelsbeslissing, zoals de juridische dienst die de buitenlandministers bij hun werk ondersteunt zegt? Of is dit het domein van het buitenlandbeleid, zoals de huisjuristen van de Europese Commissie beweren?

Het antwoord op die vraag maakt een wereld van verschil. Handelsbeleid kan worden ingevoerd als een ruime meerderheid van de landen zich erachter schaart. Voor buitenlandbeleid ligt de lat hoger. Daar volstaat alleen instemming van alle lidstaten.