Een afstammeling van de dertiende-eeuwse Hongaarse koning Béla IV en een kleinzoon van een kleinzoon van de Mongoolse heerser Dzjengis Khan, zo ziet de 91-jarige gepensioneerde elektricien József Kada zichzelf het liefst. En dan beweert hij in 1944 ook nog eens in het geheim te zijn gekroond door admiraal Miklós Horthy, de toenmalige regent van het koninkrijk Hongarije.

Wat een opschepper, fantast, of, sterker nog, gek, denk je dan. Maar Kada trekt zich niets van zulke kritiek aan, zelfs niet van zijn dochter, die hem niet serieus neemt. Vanaf de berg waar hij met zijn hond Zsömle in een armzalig huisje woont, zoekt hij het via internet hogerop. Bij hooggeplaatste personen zoals de Duitse bondspresident en kardinaal Bergoglio, de toekomstige paus, bijvoorbeeld. Zij moeten hem steunen als hij zich de Stephanskroon nogmaals, maar dan in het openbaar laat opzetten, zodat zijn volk er getuige van is. Als koning József I zal hij zijn onderdanen daarna een beter leven geven. Een leven dat hemelsbreed verschilt van dat onder de moreel verderfelijke premier Viktor Orbán.

Al vanaf de eerste bladzijden van László Krasznahorkais nieuwe roman Afscheid van Zsömle weet je dat Kada zich zijn koningschap inbeeldt en hij zich alles tot in de kleinste details wijsmaakt. Niet voor niets twijfelt hij soms aan zijn beweringen. Hij wijt het aan de granaatscherf die hij in de oorlog in zijn hoofd kreeg en die niet verwijderd kan worden. Het is de gekte ten top. Types zoals Kada verwacht je daarom eerder in een psychiatrische inrichting, waar hij tussen de Napoleons niet opvalt. Maar ze zijn ook bij uitstek geschikt als hoofdpersonage in een vintage Krasznahorkai-roman, zoals deze keer eveneens blijkt.