Het is rond half vier ’s nachts als een stel na de openingsavond van de San Fermín-feesten in Pamplona naar huis loopt en op een bankje een meisje ziet zitten. Haar benen opgetrokken, haar kleding vies en gescheurd. Ze is 18 jaar en ze huilt. Onbedaarlijk. Ze wijst naar een portiek. Het waren vijf mannen, zegt ze. Om beurten. Ze moedigden elkaar aan. Eentje lachte, een andere filmde met zijn telefoon. Toen het afgelopen was, namen ze haar telefoon mee. Het meisje lieten ze achter in de portiek. Hoe moet ze dit aan haar ouders vertellen, vraagt ze. De politie wordt gebeld.
San Fermín is een traditioneel feest dat negen dagen duurt. Elk jaar op 6 juli opent de burgemeester de festiviteiten vanaf het balkon van het gemeentehuis. In de week die volgt rennen stieren – en mannen – door de straten van Pamplona. Uit heel Spanje en omstreken komen mensen ervoor naar de hoofdstad van de regio Navarra, gekleed in een wit T-shirt, een witte broek, een rood sjaaltje en een rode ceintuur. Hoewel het feest door velen als cultureel erfgoed wordt beschouwd, groeit de kritiek. Vanwege het dierenleed, maar ook vanwege de incidenten tijdens het festival: geweld, excessief drankgebruik, aanrandingen.
Op basis van het signalement dat het meisje op het bankje heeft afgegeven, zoekt de politie naar de groep van vijf. Het is zoeken naar een speld in een hooiberg: Pamplona heeft zo’n 210.000 inwoners, maar deze julidagen in 2016 verblijven er ruim 1,6 miljoen mensen. En iedereen draagt dezelfde kleding, drinkt, danst en feest.










