Achter een podium van strobalen zitten tientallen bezoekers in een kring op het Rotterdamse Noordplein. Ze hebben hun gitaren mee, banjo’s, mandolines en violen, pardon fiddles. Ze zijn niet alleen naar het Rotterdam Bluegrass Festival gekomen om te luisteren maar ook om te spelen, want bluegrass leer je van elkaar, in de gemeenschap.

Links oefent een koor de typische harmonieën. Rechts zingt een buurtbewoner een Nederlandse tekst op de melodie van ‘Take Me Home, Country Roads’. Een mandolinespeler met volle baard lijkt weggelopen uit de film O Brother, Where Art Thou met spijkeroverall, cowboyhoed en geruite blouse. Een banjospeler met sik en bakkebaarden gaat gekleed in bolhoed en jurk. Daarnaast een vrouw met gitaar, ze heeft haar gezicht vol piercings en de armen en benen vol tatoeages.

Lees ook

Doodsimpel en virtuoos: bluegrass is het allebei

„Het voelt hier lekker dorps”, zegt Diede Staal (naveltrui, neuspiercing). Ze draait een sjekkie met haar vrienden, allemaal twintigers uit Groningen, sommigen spelen in een folkpunkbandje, Bridge Goblins. „Het genre lijkt een nieuwe hype te zijn”, zegt Staal. Walda Maat (bril op, zonnebril in de afrocoupe gestoken): „Ik luister eigenlijk niet zoveel naar bluegrass, meer punk, maar ik herken het verlangen naar iets simpels.” Diede Staal vult aan: „En het wordt steeds minder traditioneel. Hier hoor je veel ‘fuck het systeem’.”