Musea presenteren zich graag als voorlopers van verandering. Vrouwelijke kunstenaars worden herontdekt, collecties herschikt en tentoonstellingen inclusiever gemaakt. Maar terwijl musea hun blik op het verleden bijstellen, tekent zich in het heden een ongemakkelijke tegenstelling af: vrouwelijke leiders blijken opvallend kwetsbaar.

Internationaal is het patroon moeilijk te negeren. Vrouwelijke museumdirecteuren raken verwikkeld in publieke conflicten, worden onderwerp van intern onderzoek of vertrekken onder druk. Zo kreeg Kim Sajet bij de National Portrait Gallery in Washington te maken met politieke inmenging vanuit het kamp van president Donald Trump. Sasha Suda werd abrupt ontslagen bij het Philadelphia Museum of Art na interne spanningen over koers en bestuur. Ook Maria Balshaw, de eerste vrouwelijke directeur van Tate Modern in Londen, legde vervroegd haar functie neer wegens interne onrust en kritische publiciteit.

Nina Folkersma is onafhankelijk curator en werkt als interim curator moderne en hedendaagse kunst voor verschillende (inter)nationale musea.

Ook in Nederland stonden meerdere vrouwelijke museumdirecteuren onder druk. Het ontslag van Birgit Donker bij het Nederlands Fotomuseum, dat deze week overigens door de rechter onterecht werd bevonden, het onderzoek naar Jacqueline Grandjean bij Het Noordbrabants Museum en het vertrek van Bregtje van der Haak bij Eye Filmmuseum laten zien hoe spanningen rond vrouwelijke leiders snel verharden en zich op de persoon toespitsten. Elk dossier heeft zijn eigen dynamiek, maar samen roepen ze de vraag op of hier meer speelt dan toeval.