Het is pikkedonker als het dimlicht van een auto delen van de dijk tussen Monnickendam en Marken verlicht. Plots wordt een silhouet van een meisje in de berm gevangen in de koplampen. Net lang genoeg om haar blonde haren en witte jas te zien.

Verward over waarom iemand in het lage gras loopt en niet boven op de dijk, rijdt de getuige verder. Ze is onderweg om haar zoon op te halen en heeft geen tijd om te stoppen. Het is 2.45 uur in de nacht van 24 op 25 juli 2020 en de laatste keer dat iemand Tamar in levenden lijve ziet.

Ruim een uur later kijkt een agent naar haar levenloze gezicht terwijl ze aan de zijkant van de weg ligt. Het is een van de twee agenten die is afgekomen op de melding dat er een veertienjarig meisje uit Marken wordt vermist. Ze is weggelopen na een discussie met haar moeder over het gebruik van haar telefoon.

Wat van een afstandje op een zwaan lijkt, neemt naarmate de politieauto nadert steeds meer een menselijke vorm aan. De witte veren op het wegdek zijn niet van een dier, maar afkomstig uit de voering van een jas. Als de agent Tamar aankijkt, slaat de schrik haar om het hart. "Zeedijk", klinkt er paniekerig door de portofoon van de meldkamer. "Er is iemand aangereden. Lijkt dood."