„Nederland is voor de Nederlanders”, zei fractievoorzitter Lidewij de Vos (FVD) eind mei in de Tweede Kamer. „Dat zijn mensen die hier al decennia, al generaties wonen. Dat zijn ook mensen die, weet ik het, een keer een Indonesische grootouder hebben of wat dan ook.” De leider van een andere uiterst rechtse partij, Gidi Markuszower van de Groep Markuszower, zei in mei dat er „maximaal geweld” moet worden gebruikt tegen Palestijnse vluchtelingen. Geert Wilders, leider van de PVV, plaatste deze maand een X-bericht over een taakstraf voor een partijgenoot die was ingereden op een actievoerder van Extinction Rebellion: „Waren er geen lintjes meer?”

Drie extreme uitspraken van uiterst rechtse politici. Maar hoe moet je zulke uitspraken wegen? Hoe moet je de partijen aan de uiterste rechterflank wegen? Waar ligt de grens tussen radicaal-rechts en extreemrechts? En hoe bepaal je dat?

NRC stelde deze vraag aan vijf Nederlandse wetenschappers, van wie drie in het buitenland werken, die in uiterst rechts gespecialiseerd zijn. Ze zijn behoorlijk eensgezind. Zo vinden ze allemaal dat het traditionele onderscheid tussen radicaal-rechts en extreemrechts vervaagt. Radicaal-rechtse partijen, zoals de PVV, JA21 en Groep Markuszower gaan in stijl en boodschap meer en meer op extreemrechts lijken.