Het moet een opvallend gezicht zijn geweest voor de stamgasten van Bonnie & Clyde, een café in Elden, een dorpje ten zuiden van Arnhem: een bonte stoet jonge mensen in wijde broeken en glitterjurken slaan langs hun terras het hoekje om richting de Gelredome. Vanaf hier, een van de zogeheten ‘park & walk’-locaties, is het dertig minuten lopen naar het stadionconcert van een van de grootste artiesten van het moment: Benito Antonio Martínez Ocasio uit Puerto Rico. Een enthousiaste oudere man, het gebruinde gezicht in de lome zomerzon, wenst de stoet veel plezier bij Bad Bunny. Ze zijn hier wel wat gewend.
Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk en, ondanks de Caribisch aanvoelende hitte, wordt het wandeltempo opgevoerd. Dat komt ook omdat Bad Bunny bekendstaat om zijn punctualiteit en het bijna acht uur is. En ja hoor, in een stomend stadion waar de lucht je om de keel vliegt, verschijnt de superster precies op tijd op het enorme, kale hoofdpodium. In een strak crèmekleurig pak, met witte das en lichtbruine zonnebril, hoeft hij maar één keer te glimlachen en het stadion barst uit in een collectieve smeekbede om meer.
Achter hem staat Los Sobrinos, de dertienkoppige band waarmee hij zijn Grammy winnende album Debí Tirar Más Fotos opnam, met blazers, strijkers, percussie en de fameuze cuatrogitaar. Alles zucht en puft en ademt zomer. Ze openen met salsaknaller ‘La Mudanza’, op het album juist de afsluiter. Op het nummer verbindt Bad Bunny het liefdesverhaal van zijn ouders aan de politieke geschiedenis van Puerto Rico, deel van de Verenigde Staten, toen het tonen van de onafhankelijkheidsvlag nog strafbaar was: „Hier werden mensen gedood omdat ze de vlag hesen / daarom draag ik haar nu overal met me mee”.







