Annika Mol schept een beker vol en houdt hem tegen het licht. In het gezuiverde zeewater zweeft een wolk donkere puntjes. Elk puntje is een larfje dat in een paar weken zal uitgroeien tot een oester.
Opgegeten worden is het gebruikelijke lot van de Zeeuwse platte oester. Maar deze oesters moeten leven. Tientallen miljoenen zijn het er, microscopisch klein nog, in de tanks van Stichting Zeeschelp, marien proefstation op Noord-Beveland, naast de Oosterscheldekering.
Als ze groot genoeg zijn – „competent”, zegt kweekspecialist Mol in de hatchery (broederij) die zij bestiert – en een soort voetje ontwikkelen, worden ze losgelaten in een bassin om zich te hechten aan stervormige stukken beton. Die blokken komen volgend jaar op de Noordzeebodem te liggen, waar ze moeten bijdragen aan natuurherstel.
Behalve voor meer biodiversiteit kunnen de kunstmatige riffen gebruikt worden om kabels op de zeebodem te bedekken of de sokkels van windturbines
Ooit was de zeebodem bezaaid met oesterriffen en mosselbanken, die zelf ook weer een rijk onderwaterleven herbergen. Planten, schaaldieren en vissen vinden er voedsel en een schuilplaats. Door intensieve visserij zijn de riffen grotendeels verdwenen, maar aan hun terugkeer wordt gewerkt.











